Uit Zeeuwse levensberichten

Tijdens de zoektocht in de digitale archieven van Zeeland kwam ik in een boek over bekende Zeeuwen Johannes en Abraham Louissen tegen. Ik heb geen direct verband met de familie Louissen kunnen vinden, maar het verhaal is wel erg leuk om te lezen.

Hier de integrale tekst zoals het is te lezen op archive.org

LEVENSBERICHTEN VAN ZEEUWEN.
ZIJNDE EEN VERVOLG OP
P. DE LA RUE, GELETTERD, STAATKUNDIG EN HELDHAFTIG ZEELAND.

UITGEGEVEN DOOR  F. NAGTGLAS
Tweede Deel.

MIDDELBURG.
J. C. & W. ALTORFFER.
DRUKKERS VAN HET GENOOTSCHAP.

LOUISSEN (Johannes), een Vlissinger, schreef in 1714 een te Middelburg uitgegeven boek over: De zaligmakende leer, of de gelukzaligheid van de oprechten van wandel, die in den weg des Heeren gaan enz , door hem opgedragen aan de predikanten Abraham Ratel en Jacobus Fruytier, alsmede aan de weduwe van den predikant Bernardus van Deinse.

LOUISSEN (Abraham). Waarschijnlijk uit het geslacht van den voorgaanden Hij was koopman te Middelburg , doch schijnt ook vroeger te Vlissingen gewoond te hebben en was getrouwd met Johanna van Laren, uit welke eene dochter voortkwam, die in 1781 in den echt trad met Gerrit Bekker , oom van de bekende schrijfster. Abraham Louyssen, vermoedelijk zijn kleinzoon, werd geboren te Vlissingen in Februari 1741 uit Johannes Louyssen en Neeltje Tange. Hij huwde met Anna Maria van Wingerden , woonde op de Pottekaai te Vlissingen en was oud-schepen dier stad , tijdens de feesten aldaar op den 6 April 1772 gegeven. In J. J. Brahé Eeuwvreugdè is het kostbare vuurwerk afgebeeld, dat de vermogende koopman toen voor zijne woning liet ontbranden en wordt ook verhaald, hoe Louissen bij die gelegenheid het Gasthuis door chassinetten , groen, bloemen en lampions deed versieren en de verpleegden rijkelijk werden onthaald. In de Plaatsbeschrijving van Vlissingen (1873) deelt H. P. Winkelman mede, dat in 1786 het aanzienlijk handelskantoor Johannes Louissen & zoon, waarvan Abraham chef was, uit Middelburg naar Vlissingen werd overgebracht en daar het vertier niet weinig bevorderde, ook door het uitzenden van schepen voor den slavenhandel naar West- Afrika.

Het, in het Museum te Middelburg nog bewaarde fragment van een olifantstand, waarin een ijzeren geweerkogel vastgegroeid is , werd door een dier vaartuigen meegebracht en door Louissen aan het, destijds nog te Vlissingen gevestigd genootschap geschonken. In die dagen, vooral na den oorlog van 1781, werd te Vlissingen veel smokkelhandel, vooral in jenever en tabak, op Engeland gedreven. Dit geschiedde onder den verbloemden naam van commissie- of kustvaart met snelzeilende kotters en loggers, voorzien van cognossementen op afgelegen havens van Spanje of Noorwegen en soms gewapend, om aan de Engelsche wachtschepen weerstand te kunnen bieden. Omstreeks 1820 is deze sluikhandel gelukkig te niet geloopen.

Abraham Louissen bewees, in het begin van Februari 1795, aan de provincie Zeeland een gewichtigen dienst door meer dan een ton gouds renteloos voor te schieten, in de eerste plaats bestemd om de matrozen van ’s lands oorlogsschepen te Vlissingen uit te betalen, (af te monsteren) en van reissfeld te voorzien. Kort te voren waren de Pranschen binnen getrokken, en in dit hachelijk oogenblik waren de onrustige, aan Oranje gehechte matrozen, meestal door drank opgewonden, op het punt om tot dadelijkheden over te gaan en hadden zelfs de kanonnen van het linieschip De Staten-Generaal reeds buiten de geschutpoorten getrokken. De schout-bij-nacht Haringman beproefde te vergeefs de rust te herstellen , toen het geld van Louissen toeliet om de rechtmatig begeerige handen te vullen en het woelig scheepsvolk reisgeld naar Holland te verschaffen. Door Louissen werd in het geheel verstrekt 129536 gl., waarvan gebruikt werden voor het muitend bootsvolk op 15 Februari 45000 gl., en op den 27 Februari voor gedeeltelijke betaling der Fransche troepen 34536 gl., en voor het aandeel dezer provincie in het inillioen contanten, waarmede wij onze verlossers, behalve nog met negen millioen in wissels, moesten verwelkomen, 40000 gl. en het overige voor andere doeleinden. Het was dus waarlijk niet onverdiend, toen de Staten aan Louissen schreven, dat zij ten hoogste gevoelig waren voor den dienst, door hem bewezen. Zij boden hem aan vrijstelling in de uitgeschreven belasting op het goud en zilver, welke uitzondering door hem echter beleefd van de hand werd gewezen. (Paspoort, Beschrijving van Zeeland 1820, blz. 25). Niet lang daarna is het kantoor te niet gegaan. Louissen, die in Mei 1805 overleden is, heeft geen zonen nagelaten, doch zijne dochter en erfgename Anna Maria Louissen (geboren October 1771) is in Augustus 1794 gehuwd met den bekenden Hendrik van Boyen, die rector te Vlissingen was en in 1844 als Staatsraad in buitengewonen dienst enz. te ’s Gravenhage is overleden. Ook was in Augustus 1786 te Vlissingen Pensionaris-honorair Johannes Louissen, die zich in den Raad aldaar zeer gelden deed, zooals in het Vervolg op Wagenaar deel XXIII wordt verhaald.

 

Dit bericht is geplaatst in Louissen. Bookmark de permalink.